Door JAN LIBBENGA
In de Gouden Eeuw (1602- 1672) resteerde nog maar twee procent van het oorspronkelijke bosareaal. Het gros was voor de verwarming van huizen gebruikt. Er moest zelfs hout geïmporteerd worden om de bouw van onze handelsvloot te kunnen voortzetten. Toen het hout te schaars werd om de groeiende de bevolking van brandstof te voorzien, werd reeds in de middeleeuwen begonnen met turfwinning. De veenwinning werd uiteindelijk weggeconcurreerd door de opkomst van andere fossiele energie, zoals olie en gas die in de vorige eeuw populair werden. Energiecrises werden steeds voorkomen door op andere fossiele middelen over te stappen. Maar daardoor nam onze afhankelijkheid van deze grondstoffen ook toe.
Eerste Wereldoorlog
Ook al bleef Nederland in de Eerste Wereldoorlog neutraal, de gevolgen van de oorlog waren direct merkbaar. Het grootste probleem was het tekort aan grondstoffen. De energievoorziening van Nederland van voor 1914 was grotendeels op steenkool gebaseerd.
De Limburgse mijnen hadden nog niet de betekenis die zij later zouden krijgen. Nederland haalde zijn steenkool uit het buitenland, met name Duitsland. Toen de oorlog uitbrak, voerde Duitsland nog maar weinig kolen uit, terwijl de aanvoer van grondstoffen over zee was geblokkeerd.
Waar mogelijk werd het ontginnen van bruinkoolvelden en het turfsteken weer opgepakt. De straatverlichting werd tot een minimum beperkt en snelheid van treinen verlaagd. In navolging van Duitsland werd in 1916 de zomertijd ingevoerd zodat het ’s avonds langer licht bleef en er minder energie zou worden verspild.
De kolenschaarste raakte vooral de gassector. Menige woning was voor verlichting op gas aangewezen, maar gasfabrieken hadden hoge kwaliteit vetkolen nodig om te vergassen en die waren onvoldoende leverbaar. Het leidde tot de eerste grote energietransitie uit onze geschiedenis: omdat elektriciteitscentrales ook andere soorten steenkool of hout, bruinkool en turf konden stoken, werd elektriciteit versneld ingevoerd in grote steden.
Tweede Wereldoorlog
De energieproblemen van de Tweede Wereldoorlog manifesteerden zich vooral aan het begin van de jaren vijftig. Direct na de oorlog waren Nederlanders nog zuinig, maar in de jaren vijftig keerde ons land terug naar het nieuwe normaal.
Door kolentekorten na de Tweede Wereldoorlog moesten begin jaren vijftig drastische maatregelen worden genomen: ambtenaren die ’s avonds moesten werken om het stroomgebruik beter te verdelen, de invoering van piekuren in grote steden en een plan (nooit uitgevoerd) om zeshonderd meelmolens om te bouwen voor opwekking van elektra.
Onder het motto ‘De duimen op de piek!’ werden consumenten eind jaren veertig op piekuren opgeroepen om minder licht te gebruiken, niet te strijken of te stofzuigen en de radio uit te laten. Hilversum gaf het goede voorbeeld door de radio-uitzending tijdens de piekuren te onderbreken.
De beperkende maatregelen konden niet voortduren, de twintig bestaande centrales moesten versterking krijgen. Daarom startte voor de elektriciteitsvoorziening een landelijk investeringsprogramma van een half miljard gulden. Amsterdam trok alleen al 150 miljoen gulden uit, onder meer voor de bouw van een nieuwe centrale.
Energiecrisis 1973/74
De oliecrisis of olieboycot van 1973 was een gerichte actie van de Arabische olieproducerende landen gericht tegen het Westen. Tegen een aantal landen die Israël direct hadden gesteund bij de Jom Kipoeroorlog werd een volledige olieboycot ingevoerd. De Verenigde Staten, Nederland en een aantal andere West-Europese landen waren de voornaamste doelwitten van deze boycot.
De Arabische landen verhoogden de olieprijs met 70 procent en verminderden de olieproductie elke maand met 5 procent, zodat de prijs per vat explosief steeg. Ook de prijs van andere energiebronnen, zoals aardgas en elektriciteit, stegen door deze crisis. Veel landen kregen meer dan voorheen te maken met inflatie en stijging van de staatsschuld.
De crisis leidde in 1973 onder meer tot de autoloze zondagen. Er werd meer onderzoeksgeld gestoken in zonne-energie en windenergie. Het gemeentelijk energiebedrijf te Hilversum organiseerde in 1973 een tentoonstelling waar de nadruk werd gelegd op energiebesparende maatregelen, zoals warmtebesparingen in woningen, isolatie in nieuwbouw en bestaande huizen. Discussie over de voors en tegens van kernenergie laaiden op.
Achteraf viel de crisis best mee. Oliemaatschappijen konden terugvallen op olievoorraden in Europa zelf en op olietoevoer uit landen die niet deelnamen aan de boycot, zoals Venezuela. Uiteindelijk nam ook het benzinegebruik weer toe. De bovag liet eind januari 1974 aan minister Lubbers weten dat men niet langer meewerkte aan het ‘distributiecircus’. Toen de ramingen over aanvoer en voorraden steeds gunstiger werden, werd de distributieregeling binnen een maand teruggedraaid.
Energiecrisis 1979/1980
Na de oliecrisis van 1973 stegen de olieprijzen in 1979 en 1980 wederom sterk. De oorzaak lag in de onrust in het Midden-Oosten waar de sjah van Perzië tijdens de Iraanse Revolutie moest vluchten om plaats te maken voor de Iraanse islamitische leider ayatollah Khomeini. Het nieuwe regime zette de olie-export weliswaar weer in gang, maar bood een lager volume.
De Nederlandse economie kwam sterk onder druk te staan door de sterk stijgende prijzen. De toenmalige regering onder leiding van premier Van Agt besloot daarop de uitkeringen en de lonen te verlagen.
De crisis leidde ook tot hernieuwde aandacht voor duurzame energie en de ontwikkeling van de eerste serieuze windmolens.
Lees meer over energiecrises in Stroomopwaarts.
Comments
Post a Comment